SKVR / 2e plaats - Robbert Meijntjes

Tweede plaats

Tweede plaats - Robbert Meijntjes

''Als ik aan schrijven denk, dan denk ik aan creatie, aan de rust die het geeft en hoe het al het andere voor heel even naar de achtergrond drukt. Kon ik heel de dag maar schrijven, want het is één van de weinige dingen die er voor mij echt toe doet.

Als ik het schrijven voor mij in een tijdslijn plaats, dan lijkt het voort te zijn gekomen uit de dood. De dood van mijn vroegtijdig overleden vader liet me inzien dat ik mijn dromen daadwerkelijk waar moest maken en niet voor me uit moest blijven schuiven als een hoop sneeuw tot deze uiteindelijk de perfecte sneeuwpop zou vormen.

Geboren ben ik in 1986 en afgestudeerd ben ik in 2010 (voor nu). Beide in Rotterdam, het is niet anders maar dat wil ik het wel laten worden.

Ik heb mijn bachelor Pedagogiek dan wel behaald, maar eigenlijk lijkt het me fantastisch om iets met didactiek in de vorm van Geschiedenis of Maatschappijleer te gaan doen. Nog beter/het einddoel: de kost kunnen verdienen met full-time schrijven, al is het maar in een tweekamer woninkje in een afgelegen hoek van de stad.

Eerder publiceerde ik in Dagblad Trouw en ontving ik in april de complimenten van de jury. Nu met de tweede plaats bij ‘Lettertypes’ hoop ik dat deze goede kritieken blijven komen.


Vriendelijke groeten,

Robbert Meijntjes''


Stoepfietstuig.

1.
Dimitri was anders. Zo voelde hij zich ook; anders. Iedereen had hem zijn hele leven lang al verteld dat hij anders was. En dan ga je vanzelf ook vinden dat je anders bent, net zoals met al het andere. Dimitri was een gevoelige jongen en een luisteraar. Hij luisterde naar de wereld en naar anderen. En daar begon het mee, met de anderen. De wereld, die kwam pas later. Want wanneer je op de middelbare school zit, dan ben je nog niet zo met de wereld bezig maar des te meer met anderen. Niet dat hij nu zelf zo bezig was met anderen, maar het waren de anderen die vooral bezig waren met hem. Dimitri was op 15 jarige leeftijd al een freelance maatschappelijk werker of biechthokje waar anderen hun diepste geheimen aan toe vertrouwden. Het was zelfs zo dat Dimitri er niet eens iets over te zeggen had, ze deden het gewoon. Voor de kluisjes, in de fietsenstalling en aan de andere kant van het gesloten deur van het toilethokje waarin hij op de bril zat. Altijd werd plots zijn naam gefluisterd wanneer hij het het minst vermoedde. Hij hoefde niet eens te antwoorden, het vragen naar zijn naam was louter retorisch bedoeld. Niet meer dan een waarschuwende sirene voor de vloedgolf die komen ging.

Het valt dus te zeggen dat Dimitri bijzonder populair was in zijn tijd. Dat alles veranderde echter in een oogopslag toen Dimitri de boeken van Paolo Coelho begon te lezen. Die boeken waren een pure verrijking van zijn alreeds flinke fantasie en de lessen erin waren die van het levens. Die lessen maakten zelfs zo’n indruk op Dimitri dat hij ze zelf ging proberen en tot zijn stomme verbazing wilde het na enkele pogingen nog lukken ook. Voor hij het wist stond hij niet alleen meer maar in contact met de anderen, maar nu zelfs met de hele wereld om zich heen. De wind, de bladeren de aarde onder zijn voeten. Hij kon ze horen spreken als stemmen die langzaam verdwijnen in een stevige wind.

Zoals veel gelovigen kon ook Dimitri zijn ontdekkingen niet voor zichzelf houden en verkondigde daarom zijn verhalen aan allen die oren hadden. Dit werd niet gewaardeerd. Het begon met gelach, genegeer en later met pesterijen. Dimitri was de psycho van de school geworden. De verhalen van de anderen kwamen niet meer, het gefluister om hem heen des te meer.

Het gefluister werd een nastarende menigte en zijn ziel een zwarte valkuil waarin Coelho zelfs geen hoop meer kon doen ontvlammen. Ook Poetin zei ‘Hallo’ en daarom vertrok het gezin met de psycho naar Nederland.

1.5
Nu zat hij dus op de fiets. In Nederland. Op de fiets. Weer die wind en onderweg naar school. Fietsend dacht hij na over die vroegere tijden die nu al enkele jaren achter hem lagen. In dit nieuwe leven had hij besloten om zijn gave voor zich te houden. Hij was nu in Europa en dat bood kansen, dat mocht hij niet verpesten. Zijn moeder noemde hem bijzonder. Maar zijn moeder vond wel meer dingen bijzonder die ze niet begreep. Zoals regenbogen, de sterren en Facebook. Ze was laag opgeleid, daar kon zij ook niets aan doen. Van haar was ook de fiets waarop hij zat. Zijn vader vond hem gewoon zijn zoon, en helemaal niet bijzonder what so ever. Want zijn vader vond nooit iets. Hij zei eigenlijk ook nooit iets want dat doen mannen in Rusland niet. Ze werken zich te pletter en als ze hun gevoelens willen uiten dan zuipen ze zich te pletter. Daar kon hij weer niets aan doen.

Er zijn een heleboel dingen waar men helemaal niets aan kan doen. Fietsbanden oppompen hoort daar niet bij. Maar zijn moeder vond fietspompen ook bijzonder, en dus fietste Dimitri nu in de tegenwind vrijwel op zijn velgen. Met zijn portfolio onder zijn snelbinders en met het zweet op zijn voorhoofd geplakt was hij nu al langer onderweg dan hij eigenlijk voor ogen had gehad. Normaliter nam hij de tram. Maar het was vandaag een belangrijke dag, waarvoor hij zich niet kon veroorloven om te laat te zijn.

Vandaag moest het maar eens anders gaan.

2.
Dimitri fietste met open mond over de Coolsingel waardoor hij in en uitpufte als een bevallende vrouw op het kraambed. Zijn fiets kraakte en zijn knieën klaagden. Zijn lange haren dansten achter hem aan alsof ze zijn hoofd niet bij konden houden. Vliegen en andere insecten negeerde hij. Gewoon slikken, dan ben je ze zo weer vergeten. Hij passeerde die lelijke hoop met groene emmers en racete langs het World Trade Center. Nog zo’n 40 meter voor de fontein maar al geruime meters na de Intertoys werd Dimitri plots geflankeerd door een ongewenste passant. Dimitri keek opzij en de vreemdeling antwoordde door hem lang en zwijgend aan te staren vanachter een Dolce zonnebril. Het was half negen maar al tijd voor een zonnebril, vond de man. Op een zogenaamde segway hield de man van middelbare leeftijd hem moeiteloos bij. Hij zweette niet eens en zijn mond was volledig vliegvrij.

Dimitri bekeek de man eens van top tot teen. Hij herkende het te strakke kloffie als het pak van een stadswachter die nog altijd niets zei. Zijn uniform zag er nog het meest uit als dat van een Zeeman verkoopmedewerker maar dan blauwer. En zijn stem die nu toch echt te horen was en zei ‘Zo meneertje, waar zijn wij mee bezig?’ klonk als die van de have a break Kitkat-reclame.

Eén blik naar achteren vertelde Dimitri dat hij was ingesloten door deze door de belastingbetaler betaalde apparaten van vernuft waar je een gratis stadswachter bij kreeg. Het beetje autoriteit dat zij hadden zouden zij inzetten tot de laatste snik, zo las het bijsluitersmandaat.

3. 
In het hoofdkwartier van de systeempijpers, de stadswachters, moest Dimitri wachten in een detentiecel die leek op die detentiecellen die je normaliter in Amerikaanse misdaadfilms ziet. De cel deelde hij met al het tuig en rapalje dat Rotterdam hedendaags te bieden heeft. Tasjesdieven, bejaardenverkrachters, computerhackers, terroristen, bolletjesslikkers, necrofielen, zoöfielen en liefhebbers van sodomie.

Heel even wenste hij dat zijn familie nooit Ivanovo verlaten had. Maar toen bedacht hij zich. Want hier zijn de agenten niet om te kopen, dwingen ze je niet in een steeg of slaan ze je hersens niet in met een kolf. Toch was hij blij dat Karel niet gewapend was.

Na enige tijd die een eeuwigheid leek te duren werd dan toch uiteindelijk de roestvrije stalen deur geopend met het geluid van scharnierengepiep. De bezuinigingen hadden ook hier toegeslagen, dat had zelfs zijn bijziende vader Anton nog gezien. Maar Anton was er niet en zijn moeder Eugenia was er ook niet. Dit moest hij helemaal alleen opknappen.

Met een stevige hand op zijn schouder werd hij door de lange gang aan cellen geleid die uiteindelijk eindigde bij een elektronisch beveiligde deur, zo eentje waar je alleen in en uit kunt met zo’n dienderspasje dat deze dan ook voorhield bij de scanner. De deur, of was het nu de scanner, zoemde eventjes luid waarna de deur zich opende en een schuifdeur bleek te zijn. Dimitri vond het allemaal behoorlijk inventief.

Hij en zijn stevige begeleider, die John heette, liepen naar een bureau waar Dimitri net met zijn neus bovenuit stak. En toch was Dimitri geen kleine jongen. Erachter gebeurde aanvankelijk niets, totdat er opeens uit hetzelfde niets een prominente man opdook en zich over de balie boog.

‘Ja?’ vroeg hij nors zonder Dimitri aan te kijken.

Voordat hij kon antwoorden nam zijn begeleider al het woord. ‘Geval 52b, mijnheer. Het stoepfietstuig.’

‘Ah, dát geval,’ antwoordde de man alsof hij alle taken behalve digitaal ook in zijn hoofd opsloeg. ‘Als het aan mij lag zou ik ze direct castreren en zo opsluiten dat ze nooit het daglicht meer zouden zien. Dat zou ze leren om het licht van onze grote samenleving niet serieus te nemen.’

De man keek nu recht in Dimitri’s ogen via de zijne, een decimeter boven zijn imposante snor. Zelfs in dit land hadden alle gekken snorren. Dimitri zei niets, dacht aan zijn moeder en vreesde voor zijn leven.

De man achter de balie zuchtte en gebaarde met zijn hand nonchalant een willekeurige richting uit. ‘De wachtkamer, John. Je weet hoe dat gaat. Binnen 24 uur staan ze weer buiten.’

John zei niets, maar nam Dimitri mee door nog een elektronische deur waarvoor je een pasje nodig hebt.

------------------------------------------------------------------------------------------------------

Dit is slechts een selectie van het volledige korte verhaal. Het totale verhaal bedraagt ongeveer 3000 woorden, waardoor het in zijn geheel te lang was om voor te dragen op de desbetreffende middag.

Deze selectie geeft wel een goede indruk van de inhoud en richting van het verhaal.


Rotterdamse Lettertypes, winnaars oktober 2011