In deze goed gestructureerde cursus leer je hoe je een boeiend verhaal schrijft. Stap voor stap ontdek je waarom je een verhaal blijft lezen. De waarde van dialogen en hoe je die schrijft. Waar begin je een verhaal, hoe maak je geloofwaardige personages. Via korte, praktische opdrachten maak je kennis met het gereedschap van de schrijver. Thuis schrijf je een A-viertje tekst dat tijdens de les wordt besproken. Hand-outs geven je extra ondersteuning.
Onderwerpen in de cursus korte verhalen
1.Inleiding
Kennismaking. Gelegenheid om iets te zeggen over je verwachtingen.
De plaats van creativiteit en techniek
We doen creatieve oefeningen die altijd van pas zullen komen.
Opdracht voor thuis: De schilder en zijn mode.
2.Beschrijvingen, de schrijver als cameraman
Hoe je beschrijvingen zo kan maken dat de lezer in enkele woorden een beeld krijgt.
Leesteksten van bekende schrijvers
Opdracht aan de hand van een eigen (familie)foto of een foto uit de syllabus.
In deze en de volgende lessen worden de resultaten van de vorige opdracht behandeld.
3.Over hoe je een sfeer voor je verhaal neerzet
Wat je ziet hangt af van je eigen stemming, van het personage in je verhaal.
Hoe breng je dat over op de lezer? De sfeer brengt de lezer in een toestand waarin hij/zij vrolijke, sombere of dreigende ontwikkelingen verwacht. Hoe doe je dat? Met een opdracht.
4.Dialogen
Waarom een dialoog in een verhaal er anders uitziet dan het dagelijkse praten van mensen. Wat kun je bereiken met een dialoog. Uitgebreide leesteksten. Zelf aan de slag.
5.Dialoog en status
De underdog in een gesprek en op welke manieren de personages weer gelijk of liefst de upperdog willen worden. Iets over tactieken die mensen toepassen. Soms werken ze en soms helpen ze het personage dieper de put in. Leesteksten en opdracht.
6.Inhoud en vorm van dialogen
Omdat dialogen lastig én belangrijk zijn nog één keer dialogen. Hoe geef je ze vorm, hoe maak je ze levendig, wat kan je weglaten? Kale en aangeklede dialogen en hun effecten. Met voorbeelden en zoals steeds een opdracht, wel vanuit een andere invalshoek.
7.Personages
Hoe introduceer en beschrijf je een personage. Ga je beschrijven of het personage laten zien in een scène? Hoe doen bekende schrijvers dit? Uiteraard gaan we zelf personages creëren.
8.Monologue intérieur
De inwendige monoloog, een gedachtestroom die zich afspeelt in het hoofd van je personage. Hoe werkt het en hoe kan je daarmee duidelijk maken wat het personage bezig houdt? Dit is tegelijkertijd een mooie oefening in onbevangen schrijven.
9.Het begin van een verhaal
Hoe begin je een verhaal en waar begin je? De verschillende manieren waarop schrijvers aan een verhaal beginnen. Met een hele reeks eerste zinnen. Met sommige voel je je misschien verwant en met andere juist niet. Hoe werkt het om de lezer in het verhaal te trekken? Schrijf het begin van een verhaal waarvan je een paar elementen krijgt aangereikt.
10.De verteller
Hoe zit het met de verteller? Wat is zijn functie in het verhaal. Verschillende soorten van vertellers. Hoe de keuze van een verteller de toon van je verhaal kan beïnvloeden. Met opdracht.
11.Personages en karakter
Welke personages heb je nodig om jouw specifieke verhaal te vertellen? Hoe staan de personages qua karakter ten opzichte van elkaar? Personages als schaakstukken in het spel waarbij de schrijver aan de touwtjes trekt. Met een laatste opdracht.
12.Afsluiting en behartenswaardige punten
De laatste opdracht wordt besproken. Tijd om te evalueren en om vooruit te kijken. In het volgende semester kun je deelnemen aan een cursus met elf andere onderwerpen. Is schrijven jouw ding, wil je verder en hoe? Vind je dat je vooruit gegaan bent? Bij interesse sluiten we af met een glas in café Floor.